Joop

jens-lindner-cQ1BNRYjVJo-unsplash

Door: Ria Wagenaar-Buiter

‘Wie is Joop?’ hoor ik je denken. Dat maakt in principe helemaal niets uit. Gewoon een persoon die ik ken. Waarom ik over hem wil vertellen? Omdat Joop dat verdient. Niemand vindt hem interessant of kijkt naar hem om. Een bijkomend voordeel is dat ik hem wel sedert enkele maanden mijn collega mag noemen. Niet dat ik met hem samenwerk, maar ik spreek hem dagelijks.

Joop is al een oude man, tenminste zo ziet hij eruit. Waarschijnlijk heeft hij de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt, want dan zou hij geen collega van mij zijn, maar genieten van zijn AOW-uitkering. Ik heb nóg enkele collega’s maar die houden hem alleen maar voor de gek.

Zijn functie houdt in: het vegen van de vloeren in de verschillende ruimtes, het schoonmaken van bureau’s, toiletten en ramen en zo nu en dan doet hij wat klusjes. Ook koffie wordt door hem op de ouderwetse manier gezet en met bevende handen brengt hij dagelijks twee kopjes op een dienblaadje de trap op naar boven, waar ik samen met de boekhouder mijn werkzaamheden verricht.

Joop wil graag een praatje maken, maar doordat hij meerdere tanden heeft verloren komt het gesprek wat slissend over. Als je hem vraagt; “Joop, wat zeg je nu?”, laat hij het erbij zitten en schuifelt weer naar de trap, zijn hoofd gebogen, alsof het allemaal geen zin meer heeft. Alleen op deze wereld is hij. Geen familie of vrienden. Wonend in een klein oud huisje, dat hij geërfd heeft van zijn ouders. Dit huisje heeft veel achterstallig onderhoud en lekt op verschillende plekken. Ik heb aan mijn collega’s voorgesteld hem te helpen, maar niemand voelde zich daartoe genoodzaakt.

Op een dag verschijnt Joop niet op zijn werk. Niemand interesseert het iets. “Die ouwe gek kan zeker zijn bed niet meer uitkomen,” oppert een van hen. “Maken we zelf wel koffie, is het misschien wél een keer te zuipen,” zegt de ander. Een raar voorgevoel overvalt me en ik vraag of ik bij Joop mag gaan kijken. Misschien heeft hij hulp nodig! “Moet je zelf weten, als jij je daartoe gedwongen voelt,” antwoordt de boekhouder kil. Ik stap op mijn fiets en ga op weg.

Joop woont heel toepasselijk aan ‘Het oude pad’ niet ver bij de zaak vandaan. Het smalle met klinkertjes bestrate paadje brengt mij naar het laatste huisje, waar Joop zou moeten wonen. Het ziet er erbarmelijk uit. Het onkruid tiert welig tussen de gebroken grindtegels. Een vuurdoorn verspert met zijn venijnige doornen de voordeur en de groene PTT brievenbus zit vol met uitpuilende kranten, die doordrenkt van de regen slap naar beneden hangen.

Voorzichtig loop ik door de woestenij naar de achterzijde, waar de tweedelige houten deur half uit de sponningen hangt. De kleine tuin aan het slootje zit vol zoemende bijen en hommels. Een huismus houdt zich bezig met het maken van een nest onder een met mos begroeide dakpan. De merel zingt uit volle borst en zit op het pijpje die net boven de schoorsteen uitsteekt. Het is in ieder geval een fijne verblijfplaats voor insecten, vogels en kleine zoogdieren zoals egeltjes, veldmuizen en mollen. Een verse molshoop is waarschijnlijk het resultaat van een zojuist gegraven nieuwe gang.

Met moeite probeer ik de achterdeur open te trekken, maar deze blijft klemmen op een schuin omhoog liggende tegel. Als ik met al mijn kracht de deur iets optil lukt het wel, en met een krakend en piepend geluid gaat het net wijd genoeg open, zodat ik naar binnen kan glippen. Het ruikt er muf en bedompt. Door een donker gangetje ontwaar ik de kleine keuken. Een paar bevuilde kopjes liggen in een plastic teiltje op het granieten aanrechtblad. Ik roep een paar keer zijn naam; “Joop, Johoop, ben je thuis?”

Alles blijft stil, alleen de koekoeksklok, die in de woonkamer aan de wand hangt, tikt.

Tik-tak tik-tak…

Achter het keukentje staat een houten trap, eigenlijk meer een ladder, die toegang geeft naar de zolder. Het luik staat open, dus ik kan even gaan kijken, maar mag ik wel zo ver gaan? Ik besluit het risico te nemen. Joop zal het vast niet erg vinden dat ik hem zoek. Hij is tenslotte niet op zijn werk verschenen en ongerustheid voert bij mij nu de boventoon.

Boven aan de trap zie ik door het weinige licht, wat door het zolderraampje schijnt een ijzeren ledikant. Door de metalen spijlen zie ik de contouren van een gestalte onder een harige deken. Wéér roep ik: “Joop! Joop zeg alstublieft iets!” Mijn nieuwsgierigheid wint het van mijn angst. Als ik het zwarte knopje van de lichtschakelaar omdraai en het peertje boven het bed begint te branden, zie ik Joop liggen. Lijkbleek met zijn ogen wijd open.

Binnen een paar seconden sta ik weer beneden, ren door de struiken naar de buren en bonk zo hard als ik kan op de deur. Een verschrikte buurman doet open. “Wat is er aan de hand, waarom maak je zo’n herrie?”
“Joop… uw buurman… ligt dood in zijn bed…” stamel ik met moeite. “Wilt u een dokter
bellen?”

Drie dagen later vindt er een bescheiden begrafenis plaats op de Algemene begraafplaats van ons dorp. Joop is niet meer onder ons. Gestorven aan een hartstilstand, volgens de arts. Slechts drie mensen hebben afscheid van hem genomen. De boekhouder, de buurman en ik.

Rust zacht lieve Joop, ik heb je in mijn hart gesloten……

2 gedachten over “Joop

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s